In gesprek met Wietske Dijkstra: "Zien en doen wat nodig is"

Een kind kan zich goed ontwikkelen wanneer het zich veilig, ondersteund en zorgeloos voelt. Hoe kunnen scholen, hulpverleners en beleidsmakers bijdragen aan een fijnere en veilige thuissituatie? Monaïm Benrida; programmamanager Gelijke Kansen, voerde het gesprek met Wietske Dijkstra; programmamanager van ‘Ieder kind geïnformeerd’. Samen brengen zij de raakvlakken tussen de twee programma’s in kaart.

Stockfoto dag van de jeugd
©GKA

“De totale ontwikkeling van een kind vindt thuis, op school en in de omgeving plaats”, schetst Monaïm Benrida. “Tijdens de lockdowns kwam er een schijnwerper te staan op de thuissituatie. Heel snel werd pijnlijk duidelijk dat niet ieder kind in een veilige, ‘rijke’ omgeving opgroeit. En dat heeft gevolgen voor het welzijn, de ontwikkeling en de kansen van het kind. Corona heeft problemen thuis meer zichtbaar gemaakt. Het werkte als een soort contrastvloeistof. Want al heb je de meest fantastische school met de beste leraren, kleine klassen, fijne klasgenoten en de beste lesmethodiek; als het ene kind thuis onveilig is of weinig ondersteuning krijgt, heeft hij niet dezelfde kansen als het andere kind dat met gevulde broodtrommel, een rijke taalomgeving en zonder zorgen het klaslokaal betreedt.”

Verschil maken 
De thuissituatie moet bespreekbaar worden. “Net als armoede, kindermishandeling, drugs- en alcoholmisbruik en huiselijk geweld. Onderwerpen waar mensen liever niet over praten”, weet Wietske Dijkstra, programmamanager ‘Ieder kind geïnformeerd’, onderdeel van het Programma ‘Geweld hoort nergens thuis’. “Scholen moeten inzien dat wat er thuis gebeurt, ertoe doet”, beaamt Benrida. “Veel gesprekken gaan over systemen, lerarentekort en wel of niet categoraal onderwijs. Dat is prachtig, maar als het thuis niet veilig is, maak je daar het verschil niet mee.” 

Veel gesprekken gaan over systemen en lerarentekort, maar als het thuis niet veilig is, maak je daar het verschil niet mee.


Lange adem 
Het programma Ieder kind geïnformeerd is opgezet door de Ministeries van Justitie en Veiligheid, Volksgezondheid Welzijn en Sport en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Het bestaat nu drie jaar en loopt eind 2021 af, juist nu het probleem door corona zo duidelijk op de kaart staat. Dijkstra: “Dit onderwerp vraagt om een lange adem. Ik zou nog wel meer willen investeren in de borging van wat we bereikt hebben. Zo zijn er in 28 regio’s regionaal projectleiders huiselijk geweld en kindermishandeling bij gemeenten aangesteld die zich bezighouden met dit onderwerp. Zij vormen een rijdende trein. Het lastige is dat diverse hulporganisaties vanuit eigen normen, waarden en takenpakket handelen. Veiligheid zit niet in dat takenpakket, dus wie is verantwoordelijk? Het vraagt van hulpverleners om over de muren van de eigen instantie heen te kijken.”
 
Raakvlakken 
“Een groot deel van de oplossing is dat we bereid zijn om zowel regionaal als landelijk de handen ineen te slaan om voor ieder kind gelijke kansen te realiseren”, vervolgt ze. “Beide programma’s werken daar landelijk aan en faciliteren regio’s om dit ook te doen.” De raakvlakken met het programma Gelijke Kansen zijn zichtbaar. Ook daar dienen alle partijen samen te werken met hetzelfde doel voor ogen en het welbevinden van het kind centraal te stellen. Benrida: “Dat is het kind, of beter nog; het gezin helpen.” In beide programma’s wordt regionaal en integraal gewerkt. “We geloven dat we beleid niet van bovenaf op moeten leggen”, legt Dijkstra uit. “De aanpak is geen eenheidsworst. We moeten handvatten geven om te inspireren, mensen verleiden om stappen te zetten.” 

Handreikingen 
Die stap van denken naar doen, hebben de twee programma’s ook gemeen. Zo werkte het programma Gelijke Kansen mee aan de ‘handreiking omgaan met armoede’ en het programma ‘Ieder kind geïnformeerd’ aan de handreiking ‘Ieder kind geïnformeerd’ waarin de vraag #hoedan? wordt beantwoord, inclusief een overzicht van voorbeelden en te gebruiken materialen. Dijkstra: “In onze handreiking geven we scholen handvatten hoe zij het onderwerp bespreekbaar kunnen maken, want de drempel om dat te doen is soms hoog. Het is een taboe dat kan leiden tot handelingsverlegenheid. Ondertussen groeien kinderen op in hun eigen gezin en bekijken de wereld vanuit dat perspectief. Ze weten niet dat het bij andere gezinnen anders, beter en veiliger, is. Die bewustwording moet je creëren. Het lucht op om erover te praten. Dus normaliseer dat, het gaat erom dat een kind zich gezien voelt en dat je schuld en schaamte wegneemt.”

Sociaal netwerk 
Een andere belangrijke component die Dijkstra en Benrida in elkaars programma herkennen, is het belang van een ondersteunende omgeving. Dijkstra: “Een sociaal netwerk is belangrijk, ook dat werd uitvergroot tijdens corona. Naar wie kun je toe als papa dronken en agressief is? Bij wie kunnen je kinderen terecht als je het thuis even niet meer trekt? We weten: ‘It takes a village to raise a child’, maar in Nederland is er vaak geen dorp om te ondersteunen. We verwachten zoveel van ouders. Zonder sociaal vangnet is de druk op de schouders van ouders groot. Iedereen draagt bij aan een veilige omgeving. Hoor je de buurvrouw vaak tegen de kinderen schreeuwen? Bel aan, zeg dat je het hoort en vraag of de kinderen misschien even bij jou kunnen spelen, zodat ze wat lucht krijgt. Wordt vader meestal agressief na een kroegbezoek op vrijdagavond? Zorg dat de kinderen dan uit logeren zijn. Maar dat kan alleen als je een goed sociaal vangnet hebt.”

It takes a village to raise a child, maar in Nederland is er vaak geen dorp om te ondersteunen.

Wereldbeeld 
“De omgeving draagt bij aan het welzijn maar ook aan de ontwikkeling van een kind”, vult Benrida aan. “Taalontwikkeling is meer dan ‘geef een kind een boek’, het gaat ook om de gesprekken die kinderen voeren met opa, de buurvrouw of een sporttrainer. Het gaat erom of je de context van woorden als gezelligheid of kroeg kent en of je weet wat er van je verwacht wordt als je de bibliotheek instapt. De drempel om dat te doen, kan anders hoog zijn.” “Het vervelende is dat het sociale netwerk juist kleiner wordt wanneer het thuis onveilig is”, reageert Dijkstra. “Kinderen spelen liever bij een vriendje dan thuis. Dat staat vriendschappen in de weg.” Benrida: “Dat speelt ook bij armoede, kinderen schamen zich voor hun thuissituatie. Als je nooit iemand uitnodigt voor je verjaardagsfeestje, krijg je zelf ook nauwelijks uitnodigingen. Vervolgens kom je weinig bij anderen thuis en blijft je wereldbeeld beperkt tot je eigen omgeving.”

Samen acteren 
“Het zijn grote thema’s en grote problemen”, concludeert Dijkstra. “We moeten groot denken maar klein doen. We moeten onszelf afvragen wat wij kunnen doen om te helpen. Dat hoeven geen hoogdravende zaken te zijn, juist met kleine stapjes maak je al verschil. De successen die wij zien zijn vaak klein begonnen, waarna aangevuld kan worden wat nog ontbreekt. Scholen zijn betrokken, ze hebben een taak om veiligheid thuis bespreekbaar te maken en problemen te signaleren. Maar ze zijn niet verantwoordelijk voor de oplossing.” Gezinnen moeten bovendien weten waar ze terecht kunnen als ze hulp of ondersteuning nodig hebben. Volgens Dijkstra een taak voor gemeenten: “Daar moet helder zijn waar mensen voor welke hulp kunnen aankloppen. Zodat wanneer school iets signaleert, er gehandeld wordt.” Benrida: “We beschikken over voldoende onderzoek, data en kennis. Nu gaat het erom dat we weten wat er thuis gebeurt en daar sámen op acteren. We moeten zien en doen wat nodig is.” 

Regionaal voorbeeld bespreken veilig thuis 
Sterrenschool de Ruimte uit de regio Flevoland vertelt in een podcast hoe zij vakoverstijgend invulling geven aan het bespreekbaar maken van een veilig thuis. Klik hier voor meer informatie over 'ieder kind geïnformeerd'.

Serie in gesprek met …
Dit interview is onderdeel van de serie ‘In gesprek met…’. Wanneer we de ontwikkeling van het kind centraal stellen, zien we dat veel Rijksprogramma’s en belangenverenigingen raakvlakken hebben met elkaar. Monaïm Benrida (programmamanager Gelijke Kansen Alliantie) gaat de komende tijd in gesprek met diverse betrokkenen bij deze programma’s om te achterhalen wat de overeenkomsten en verschillen zijn met de GKA.